Ongehoord Nederland en minderheidsmedia laten zien hoe belangrijk het is dat ook afwijkende en onderbelichte stemmen ruimte krijgen in het publieke debat. Maar wat gebeurt er wanneer media zich zo sterk identificeren met hun eigen achterban dat andere perspectieven naar de achtergrond verdwijnen? Van controversiële berichtgeving tot vooroordelen tegenover andere minderheden: deze column onderzoekt de spanning tussen betrokken journalistiek, groepsdenken en democratische waarden. Want wie zijn eigen gemeenschap een stem wil geven, moet ook bereid zijn kritisch naar die gemeenschap te kijken én naar anderen te luisteren.
Journalisten leren aan het begin van hun loopbaan hoe ze moeten schrijven: feitelijk, zorgvuldig en met gepaste afstand. De journalist observeert, controleert en informeert. Persoonlijke voorkeuren blijven zo veel mogelijk buiten beeld. Die professionele houding vormt een belangrijk onderdeel van de journalistieke ethiek. Maar ze heeft ook een keerzijde. Voor sommige lezers klinkt de traditionele journalistieke taal afstandelijk, zakelijk en zelfs wereldvreemd. De journalist lijkt soms dichter bij politici, deskundigen en bestuurders te staan dan bij de mensen over wie hij schrijft.
Dat roept een ongemakkelijke vraag op: kan journalistiek haar geloofwaardigheid verliezen doordat ze te professioneel probeert te zijn?
In een artikel op de website van het Stimuleringsfonds voor de Journalistiek (SVDJ) van 22 oktober 2026 bespreekt journalist en mediawetenschapper Nigel van Schaik onderzoek naar precies dit vraagstuk. De centrale gedachte: een toegankelijkere, meer informele schrijfstijl kan journalistiek geloofwaardiger laten overkomen.
Maar ik denk dat achter deze discussie een veel fundamentelere kwestie schuilgaat. Het gaat niet alleen om de manier waarop journalisten schrijven, maar ook om wie het recht krijgt om verhalen te vertellen, namens wie dat gebeurt en welke verantwoordelijkheid daarbij hoort.
Want een journalist die zich dichter bij zijn publiek positioneert, kan een brug slaan tussen mensen en nieuws. Maar diezelfde journalist kan ook een nieuwe muur bouwen tussen zijn eigen gemeenschap en de rest van de samenleving.
Wanneer professioneel afstandelijk wordt
In hun onderzoek onderzochten Chun Hong Tse en Kecheng Fang hoe schrijfstijl en brongebruik de waargenomen betrouwbaarheid van journalistieke verhalen beïnvloeden. De onderzoekers legden 311 deelnemers in Taiwan vier versies van artikelen voor over lokaal protest tegen een industriële afvalstortplaats. De teksten verschilden in stijl en in het soort bronnen dat werd gebruikt.
De uitkomst was interessant: de verhalen die in een meer informele, alledaagse taal waren geschreven, werden als iets betrouwbaarder en aantrekkelijker ervaren. Dat effect was vooral zichtbaar bij deelnemers die al sceptisch tegenover nieuwsmedia stonden. Het verschil tussen gewone burgers en gezaghebbende bronnen bleek in dit experiment minder bepalend voor de betrouwbaarheidsoordelen dan de schrijfstijl zelf.
Dat betekent niet dat spreektaal automatisch tot betere of waarheidsgetrouwere journalistiek leidt. Het onderzoek ging over de manier waarop lezers betrouwbaarheid ervaren, niet over de feitelijke juistheid van de berichtgeving. Bovendien vond het experiment plaats in een specifieke Taiwanese context.
Toch is de uitkomst relevant. Een journalist die schrijft alsof hij een rapport voor een overheidsinstelling opstelt, kan onbedoeld afstand creëren. Een journalist die begrijpelijke taal gebruikt, concrete ervaringen deelt en de lezer rechtstreeks aanspreekt, kan juist het gevoel geven dat nieuws onderdeel is van het dagelijks leven.
Van Schaik wijst er in zijn artikel ook op dat verhalende en meer persoonlijke journalistiek gemarginaliseerde groepen zichtbaarder kan maken en de verbondenheid van lezers met de samenleving kan versterken.
Dat is een belangrijk punt. Wie zich niet herkent in de mensen die doorgaans aan het woord komen in het nieuws, kan het gevoel krijgen dat journalistiek niet voor hem of haar is bedoeld. Een andere taal, een ander perspectief en een grotere aandacht voor persoonlijke ervaringen kunnen die afstand verkleinen.
Maar toegankelijkheid is nog geen garantie voor waarheid. En herkenning is nog geen bewijs van gelijk.
Lees het artikel van Nigel van Schaik op SVDJ.
Minderheidsmedia: een noodzakelijke correctie
De vraag wie er in de journalistiek aan het woord komt, is bijzonder belangrijk voor minderheden. Mensen met een migratieachtergrond, religieuze minderheden, LHBTQIA+-personen en andere groepen die zich onvoldoende vertegenwoordigd voelen in de reguliere media, hebben goede redenen om hun eigen verhalen te willen vertellen.
Een magazine, website, radiozender of televisieprogramma dat vanuit de ervaringen van zo’n gemeenschap werkt, kan onderwerpen zichtbaar maken die elders weinig aandacht krijgen. Het kan laten zien hoe beleid in de praktijk uitpakt, hoe discriminatie wordt ervaren en welke problemen achter officiële statistieken schuilgaan.
Dat is geen bedreiging voor de journalistiek. Integendeel: een democratische samenleving heeft baat bij uiteenlopende perspectieven. Wie alleen de dominante maatschappelijke blik laat horen, krijgt nooit een volledig beeld van de werkelijkheid.
De journalistiek hoeft bovendien niet te doen alsof iedere journalist vanuit een volledig neutrale positie schrijft. Iedereen heeft een achtergrond, een taal, ervaringen en blinde vlekken. Het erkennen daarvan kan juist helpen om eerlijker te werken.
Maar er zit een verschil tussen journalistiek maken vanuit een gemeenschap en journalistiek maken uitsluitend voor het gelijk van die gemeenschap.
Een redactie die discriminatie tegen een minderheid onderzoekt, moet ook bereid zijn om problemen binnen diezelfde gemeenschap te bespreken. Een journalist die racisme aan de kaak stelt, moet eveneens oog hebben voor seksisme of homofobie. En een medium dat terecht kritiek levert op de uitsluiting van minderheden, moet zich ook afvragen of het zelf bepaalde groepen uitsluit.
Dat geldt voor ieder medium, ongeacht zijn politieke kleur, culturele achtergrond of doelgroep.
De identiteit van de journalist kan een waardevolle ingang zijn om een onderwerp te begrijpen. Maar identiteit mag nooit een vrijstelling worden van kritische vragen.
De paradox van Ongehoord Nederland
Een opvallend voorbeeld van de spanning tussen een alternatieve stem en journalistieke verantwoordelijkheid is de Nederlandse publieke omroep Ongehoord Nederland (ON!).
De omroep presenteert zich als een alternatief voor de gevestigde media en wil mensen bereiken die zich onvoldoende gehoord voelen door de traditionele publieke omroepen. Dat uitgangspunt raakt aan een reëel democratisch vraagstuk: ook mensen die kritisch zijn over de media, de politiek of maatschappelijke veranderingen moeten een plek hebben in het publieke debat.
Maar de vraag is wat er gebeurt wanneer het bieden van een alternatief geluid belangrijker wordt dan het controleren van de inhoud van dat geluid.
In juni 2022 concludeerde NPO-ombudsman Margo Smit na onderzoek dat publicaties van Ongehoord Nederland op meerdere punten in strijd waren met de Journalistieke Code van de NPO. Het ging onder meer om het verspreiden van aantoonbaar onjuiste informatie, het onvoldoende corrigeren daarvan en het niet duidelijk scheiden van feiten en meningen. Ook werd kritiek geuit op de manier waarop presentatoren onvoldoende doorvroegen of onjuiste beweringen van gasten niet tegenspraken. In november 2022 volgde een tweede onderzoek met opnieuw kritiek op de betrouwbaarheid van de berichtgeving.
De kwestie bleef niet beperkt tot die eerste onderzoeken. In september 2022 ontstond bijvoorbeeld grote ophef over een uitzending waarin beelden van zwarte mensen die witte mensen aanvielen werden getoond in een item over racisme. De presentatie en woordkeuze leidden tot kritiek op de manier waarop zwarte mensen werden neergezet. In latere discussies rond de omroep speelden ook beschuldigingen van racistische en discriminerende berichtgeving een rol.
In de zomer van 2026 kwam ON! opnieuw onder zware kritiek te liggen na een online-uitzending waarin Adolf Hitler werd aangehaald in een discussie over globalisme. Hoofdredacteur Joost Niemöller zei daarin dat Hitler bepaalde dingen goed had gezegd, los van diens antisemitisme. Het fragment leidde tot felle reacties, klachten bij de ombudsman en een nieuw debat over de plaats van de omroep binnen het publieke bestel. ON! haalde het bewuste programma vervolgens offline. Ook werd op politiek en bestuurlijk niveau gekeken naar de mogelijke gevolgen voor de positie van de omroep.
Deze gebeurtenissen moeten zorgvuldig worden onderscheiden van elkaar. De kritiek op de uitzendingen uit 2022 en de controverse rond het Hitler-fragment uit 2026 zijn afzonderlijke kwesties. Samen illustreren ze echter een bredere vraag: welke verantwoordelijkheid heeft een journalistiek medium wanneer het zich beroept op de behoefte van een publiek aan een ander geluid?
Een medium mag kritisch zijn op de gevestigde orde. Het mag provoceren, gevestigde aannames ter discussie stellen en ruimte bieden aan impopulaire standpunten. Maar journalistieke vrijheid betekent niet dat aantoonbaar onjuiste beweringen zonder tegenspraak kunnen worden gepresenteerd als feiten. Evenmin betekent het dat de historische context van antisemitisme of de gevolgen van discriminerende beeldvorming buiten beschouwing kunnen blijven.
De ombudsman benadrukte in haar onderzoek dat een journalistieke presentator geen doorgeefluik is. Het is de taak van de journalist om vragen te stellen, beweringen te toetsen, context te bieden en aantoonbare onjuistheden tegen te spreken.
Daar ligt precies het verschil tussen een alternatief geluid en een journalistiek verantwoord alternatief.
Bron: NPO-ombudsman over Ongehoord Nederland · NOS over de Hitler-rel in 2026.
Als minderheden elkaar niet meer horen
De problemen rond groepsdenken beperken zich natuurlijk niet tot een rechtse alternatieve omroep. Ook media die opkomen voor minderheden kunnen in dezelfde valkuil terechtkomen.
Een medium dat de ervaringen van een etnische of religieuze minderheid centraal stelt, kan bijvoorbeeld zo sterk vanuit de eigen gemeenschap redeneren dat andere minderheden uit beeld verdwijnen. De strijd tegen discriminatie kan dan samengaan met vooroordelen over homoseksuelen, transgender personen, vrouwen of mensen met een andere religieuze overtuiging.
Hetzelfde geldt voor media die zich richten op LHBTQIA+-gemeenschappen, politieke bewegingen of andere groepen die zich onvoldoende vertegenwoordigd voelen. Ook daar bestaat het risico dat bepaalde stemmen als vanzelfsprekend juist worden beschouwd, terwijl andere perspectieven worden weggezet als vijandig of irrelevant.
Dat is niet slechts een theoretisch probleem. Een in augustus 2026 gepubliceerd onderzoek van Beeld & Geluid, Beyond Visibility: Framing LGBTQIA+ Topics in Dutch News and Current Affairs Broadcasting, laat zien dat de toegenomen zichtbaarheid van LHBTQIA+-personen en -onderwerpen op de Nederlandse televisie niet automatisch leidt tot inclusievere of genuanceerdere berichtgeving. De berichtgeving kan juist worden gekenmerkt door generalisaties, polarisatie en een sterke nadruk op conflict.
Dat onderzoek gaat niet specifiek over minderheidsmedia, maar maakt wel duidelijk dat zichtbaarheid op zichzelf onvoldoende is. Een groep kan vaker in beeld komen en toch een eenzijdig beeld krijgen.
Bron: Beeld & Geluid, Beyond Visibility.
Wanneer iedere groep alleen nog haar eigen ervaringen als uitgangspunt neemt en de verhalen van anderen vooral beoordeelt op de vraag of ze de eigen overtuigingen bevestigen, verdwijnt de mogelijkheid om werkelijk naar elkaar te luisteren.
De publieke ruimte verandert dan in een kakofonie van stemmen. Iedereen spreekt, iedereen voelt zich miskend en iedereen beschuldigt de ander van onbegrip. Maar niemand is nog bereid om de eigen aannames te onderzoeken.
Dat is een wrange uitkomst. Juist de media die zijn ontstaan omdat bepaalde groepen niet werden gehoord, kunnen bijdragen aan een samenleving waarin niemand meer bereid is om naar een andere groep te luisteren.
Het gevaar van een nieuwe autoriteit
Het probleem is niet dat journalisten zich verbonden voelen met een gemeenschap. Het probleem ontstaat wanneer die verbondenheid een bron van onaantastbaar gezag wordt.
Traditionele media kunnen de indruk wekken dat hun autoriteit voortkomt uit institutionele macht, professionele status en toegang tot officiële bronnen. Alternatieve en gemeenschapsgerichte media kunnen een ander soort autoriteit opbouwen: die van de insider, degene die de gemeenschap begrijpt en zogenaamd weet wat er werkelijk speelt.
Beide vormen van autoriteit kunnen waardevol zijn. En beide kunnen misbruikt worden.
Een journalist die zegt namens een gemeenschap te spreken, kan zich beroepen op gedeelde ervaringen om zijn geloofwaardigheid te vergroten. Maar wie bepaalt eigenlijk wat die gemeenschap vindt? Wie krijgt de ruimte om intern kritiek te leveren? En wat gebeurt er met mensen die zich niet herkennen in het dominante verhaal van hun eigen groep?
Het gevaar is dat een journalist die ooit tegenover een machtige instelling stond, zelf een poortwachter wordt. Hij bepaalt dan welke stemmen welkom zijn, welke verhalen geloofwaardig zijn en welke afwijkende meningen als verraad worden beschouwd.
Op dat moment is de journalistieke afstand niet verdwenen, maar alleen verplaatst. De oude autoriteit is vervangen door een nieuwe.
De democratische waarde van tegenspraak
Hoe voorkomen we dat journalistieke nabijheid omslaat in groepsdenken?
Een belangrijke aanwijzing komt uit onderzoek naar de manier waarop mensen met andersdenkenden communiceren. Onderzoekers verbonden aan Harvard Kennedy School bespraken bevindingen waaruit blijkt dat teksten die serieus ingaan op tegenargumenten en de zorgen van andersdenkenden erkennen, geloofwaardiger kunnen overkomen.
Dat is een andere vorm van nabijheid dan simpelweg dezelfde taal spreken of dezelfde overtuigingen delen. Het gaat om de bereidheid om de ander als gesprekspartner te erkennen, ook wanneer er fundamentele meningsverschillen bestaan.
Voor de journalistiek betekent dit dat empathie niet beperkt mag blijven tot de eigen achterban. Een journalist moet niet alleen proberen te begrijpen waarom zijn eigen gemeenschap boos, bang of teleurgesteld is. Hij moet ook onderzoeken hoe andere groepen de werkelijkheid ervaren en welke argumenten zij daarvoor hebben.
Dat betekent niet dat alle standpunten even waar of even verdedigbaar zijn. Antisemitisme wordt niet aanvaardbaar doordat iemand het vanuit zijn eigen identiteit verklaart. Homofobie wordt niet onschuldig doordat ze binnen een bepaalde gemeenschap breed wordt gedragen. En aantoonbaar onjuiste informatie wordt niet waar doordat ze afkomstig is van iemand die zich door de gevestigde media miskend voelt.
Empathie is geen verplichting om alles goed te keuren. Het is de bereidheid om te begrijpen voordat je oordeelt, zonder de verantwoordelijkheid op te geven om feiten te controleren en onrecht te benoemen.
Een democratische journalistiek moet daarom twee dingen tegelijk kunnen: mensen een stem geven én die stemmen kritisch onderzoeken.
Niet minder professioneel, maar menselijker én kritischer
Misschien moeten we de tegenstelling tussen professionele en persoonlijke journalistiek anders formuleren.
Professioneel werken betekent niet dat een journalist afstandelijk moet schrijven, geen emoties mag tonen of zijn eigen perspectief moet verbergen. Een journalist kan persoonlijk, toegankelijk en betrokken zijn en tegelijkertijd zorgvuldig feiten controleren, wederhoor toepassen en zijn fouten corrigeren.
Omgekeerd is een formele, zakelijke schrijfstijl geen garantie voor objectiviteit. Een journalist kan afstandelijk schrijven en toch selectief zijn in zijn bronnen, onderwerpen en interpretaties.
De uitdaging is daarom niet om te kiezen tussen de professionele journalist en de betrokken insider. We hebben beide kwaliteiten nodig. We hebben journalisten nodig die de taal van gewone mensen spreken, maar ook de moed hebben om hun publiek tegen te spreken. Journalisten die begrijpen waarom een gemeenschap zich buitengesloten voelt, maar niet automatisch aannemen dat die gemeenschap in elk debat gelijk heeft.
De discussie over spreektaal en vertrouwen, die Nigel van Schaik aan de hand van recent onderzoek bespreekt, raakt daarmee aan een grotere vraag over de toekomst van de journalistiek. Vertrouwen ontstaat niet alleen door informatie op een begrijpelijke manier te presenteren. Het vraagt ook om een relatie waarin de lezer zich serieus genomen voelt, zonder dat de journalist diens overtuigingen simpelweg bevestigt.
De journalistiek moet dichter bij mensen komen, maar mag niet gevangen raken in de grenzen van hun groepsidentiteit.
Want uiteindelijk is het doel van journalistiek niet dat iedereen zich uitsluitend door zijn eigen mensen begrepen voelt. Het doel is dat mensen beter geïnformeerd raken over de wereld waarin zij samenleven, ook wanneer die wereld complexer is dan hun eigen ervaringen laten zien.
Een journalist die alleen bevestigt wat zijn publiek al denkt, bouwt misschien een trouwe achterban op. Maar een journalist die zijn publiek helpt om ook anderen te begrijpen, levert een bijdrage aan de democratie.
Dat is de paradox waarmee de journalistiek moet leren leven: om mensen dichter bij het nieuws te brengen, moet ze persoonlijker durven worden. Maar om haar democratische functie te behouden, moet ze tegelijk afstand kunnen nemen van haar eigen gelijk.
Niet iedereen hoeft het met iedereen eens te zijn. Wel moeten we blijven proberen elkaar te begrijpen. Anders houden we uiteindelijk alleen nog onze eigen stemmen over.
