Gisteren liep ik door het park, het voelde grauw en grijs, zoals een dag in de winter kan zijn.
Met mijn blik omhoog zag ik enkele vogels, en liet de kale takken op me inwerken. De takken reikten hoog naar de hemel, dat was goed zichtbaar nu er geen bladeren aan de takken hingen. De kronkelende vormen vond ik fascinerend. Nu de zon niet scheen, kleurden alle tinten bruin, niet goud. Mijn oog viel daardoor vooral op het groene mos dat op vele stammen groeide.
Mijn handen aaiden over de fluweelzachte begroeiing op de schors. Het aanraken van hun stam gaf me een warm en verbonden gevoel.
Het werd een dagelijks onderdeel van mijn revalidatie, hoe klein de wandeling ook was. Ik wilde me verbinden met de natuur. Forest bathing is een hippe uitdrukking hiervoor, bosbaden, een term die oorspronkelijk uit Japan komt. Verblijven in een bos geeft een boost aan je gezondheid, heeft een ontspannende werking op je zenuwstelsel, ontstressen. Ik wilde niets liever dan dit.
Ik kon alleen traag lopen en dat was juist de intentie van deze remedie. Slow Down, rustig lopen, de geuren van de bomen ademen, de vogels horen fluiten, het observeren van wat je ziet. Het gaat om de beweging en niet om het doel. Je mee laten nemen door je lichaam, gewoon simpel, buiten.
Sommige dagen telde ik de stappen die ik maakte en hoeveel soorten vogels ik gezien had.
Het viel me op dat ik verschillende soorten vogels onderweg tegenkwam. Vogels die ik voorheen in mijn dagelijks leven niet zag. Roodborstjes, merels, eksters, kraaien, de Vlaamse gaai, groene parkieten, van alles.
Afgelopen zomer verlangde ik, na maanden een blokje om het huis te lopen, naar een andere omgeving. Ik reed met mijn auto naar het meer, waar verschillende wandelpaden met bankjes waren.
Ik kon niet anders dan met behulp van een rollator de eerste stappen maken naar een andere omgeving. Het was een uitdaging om dit initiatief te nemen en begreep waarom het voor velen een drempel is om deze stap te maken. Ik wilde wel, maar voelde ook de onwennigheid, de vragende blikken van anderen waar ik geen antwoord op kon geven.
Zie het als een tijdelijk hulpmiddel om de buitenwereld in te kunnen stappen. Zie het als de mogelijkheid tot verandering. Je kan dit. De woorden van Alissa, mijn fysiotherapeut, werden een mantra toen ik de achterklep van mijn auto opendeed om het moderne karretje uit mijn auto te pakken.
Het zomerse weer nodigde me uit om een picknicktas mee te nemen en zittende op een bankje een boek te lezen.
‘Kan ik naast je komen zitten?’ vroeg een man met een vriendelijke stem die stil bleef staan.
‘Natuurlijk’, zei ik.
‘Ja, ik moet om de zoveel bankjes rusten om bij te komen van de stappen die ik maak en het volgende bankje is te ver weg.’
Ik keek naar hem en een lach scheen onder zijn pet mij tegemoet. Zo op het oog een sportieve man, met een Levi t-shirt, jeans en sneakers aan.
Hij begon te vertellen dat hij een jaar eerder een herseninfarct had gekregen en zijn conditie aan het opbouwen was. Er waren veel beperkingen ontstaan. Zich aankleden was al een topprestatie, een vork naar zijn mond brengen was een intense inspanning. Zijn hersenen hadden andere ideeën dan hij. Voorheen had hij een uitstekende conditie en was hij dagelijks in de sportschool te vinden. Nu was alles anders. Geen boek kon hij meer lezen. Bij de tweede bladzijde was hij al vergeten wat hij op de eerste bladzijde had gelezen. Door de tremor in zijn armen werden de dagelijkse dingen, zoals een maaltijd bereiden, al een uitdaging op zich.
‘Je moet niet bij me thuis komen hoor, dan hoor je alleen maar gevloek omdat niets lukt.’
We lachten allebei.
Ik herkende veel in zijn verhaal, de beperkingen op de dagen van hersenmist, de dagen van extreme vermoeidheid en pijn in mijn spieren, de dagen van duizelig de dag door komen en bij de minst geringste inspanning total loss zijn. Dagen dat je hoop hebt dat het beter gaat en vervolgens weer in een terugslag te komen die je niet kon voorspellen omdat je dacht dat het beter ging.
‘Ik wandel daarom graag een rondje meer, zei hij, dan kan ik me focussen op mijn conditie, in de hoop dat het beter zal worden. Elke dag weer. Ik ben John trouwens’, zei hij.
‘Ik ben Jolanda’, leuk je te ontmoeten.
‘Kom je uit Roemenië,’ vroeg hij aan me.
Verrast keek ik hem aan. ‘Wat leuk dat je dit vraagt.’
‘Je doet me denken aan iemand die ik ken die daar vandaan komt.’
‘Het klopt dat ik niet honderd procent Nederlandse ben, dat zie je goed. Ik heb een Turkse vader.’
‘Ja, zie je, dat zag ik aan je.’
‘En jij? vroeg ik aan hem. Ik hoor iets van een Haags accent?’
‘Ja, ik ben in Den Haag geboren en heb Molukse ouders.’ Hij schoof zijn zonnebril naar beneden en ik keek in zijn donkerbruine ogen.
Den Haag, ook mijn geboortestad, de Haagse markt, de Molukse wijk, de Turkse gemeenschap, alle onderwerpen liepen door elkaar in een enthousiast gesprek van herkenning.
Ik vertelde hem, dat ik mijn Turkse familie nog maar net een jaar geleden gevonden had en dat ik mijn Turkse achtergrond aan het ontdekken was. Ik zei dat ik niet opgegroeid was met mijn biologische vader. Op een bepaald moment wilde ik graag meer weten over mijn afkomst en ben ik naar hem op zoek gegaan. Aandachtig luisterde hij naar mijn verhaal.
Ontroerd zei hij. ‘Sinds kort heb ik een dochter zoals jij. Ik wist niet van haar bestaan en ze zocht mij. Sindsdien zien we elkaar elke week en maken we samen fietstochten met een duo fiets.’
Hier zat ik dan, met een man, een vader die zijn dochter leerde kennen.
Getroffen door zijn verhaal kon ik alleen maar zeggen, ‘Wat geweldig dat je open stond voor haar. Hoe oud ben je dan? Mag ik zo vrij zijn om dit aan je te vragen?’
‘Een en tachtig” antwoordde hij.
Mijn mond viel van verbazing open. ‘Dat had ik echt niet gedacht John, nu wil ik bijna u gaan zeggen.’
‘Nee, niet doen Jolanda, zeg alsjeblieft jij tegen me, ik ben jong van geest en vind het geweldig dat wij hier samen dit gesprek met elkaar hebben.’
Mijn blik viel op mijn horloge, het was half vijf, inmiddels zaten we samen uren in de schaduw van de bomen die ons enige verkoeling gaven op deze warme zomerdag.
‘Kom je hier elke dag,’ vroeg hij.
‘Het is maar net hoe mijn dag loopt,’ zei ik hem.
‘Ik hoop je weer te zien,’ zei hij.
‘Ja, wie weet,’ zeiden we tegen elkaar.
Vandaag, zeven maanden later, liep ik hem onverwacht tegen het lijf in het park. ‘Hey John, ben jij het?’ Ik zag dat zijn blik zoekende was wie tegen hem sprak. Ik ben het, Jolanda, van onze ontmoeting op het bankje bij het meer afgelopen zomer.’
‘Ah, nu herken ik je weer, met je muts op zag ik niet wie je was.Leuk je weer te zien!’
Leunend tegen de houten reling van de brug bleef hij staan. ‘Hoe is het nu?’ vroeg hij belangstellend.
Het was lang geleden dat iemand dit aan me vroeg en ik was blij dat ik hem een positief antwoord kon geven. ‘Ik kan inmiddels zelfstandig dertig minuten wandelen en stilstaan zonder dat het me duizelt. In de afgelopen maanden is er een langzame, stabiele vooruitgang geweest waar ik heel blij mee ben. Wat kan je dan blij zijn met iets wat in andere tijden normaal was.’
‘Met mij gaat het ook beter, ik kan een langere route lopen en kom graag hier omdat ik het rondje meer wel gezien had. Er is een trage verbetering, maar goed, er is vooruitgang. De neuroloog vertelde me dat er in vier jaar tijd herstel mogelijk is. Ik ben op de helft en wil het maximale eruit halen. Door het park kan ik inmiddels andere routes lopen en geniet ik van de bomen en de natuur om me heen. Het geeft me afleiding en ontspanning.
Het is nog steeds gevloek bij mij thuis hoor. Vraag me niet wat ik gisteren gedaan heb en ik weet ook niet hoe morgen eruit ziet. Ik ken alleen vandaag, zegt hij en daar moet ik het mee doen.’
Ik hoor mezelf voorzichtig zeggen, ‘misschien ligt hier ook iets waardevols voor je? Het klinkt dat je niet anders kan dan leven in het nu. Daar ligt ook kracht en schoonheid in. Velen zoeken hier naar, om zo te leven.
‘Ja, zegt hij, ik begrijp wat je zegt.’ Met tranen in zijn ogen vertelt hij dat hij opa wordt en dat hij daar dan heel geëmotioneerd van is. ‘Elke keer als ik het vertel, stroomt er zoveel geluk door me heen ‘
‘Geweldig, wat een fijn vooruitzicht, dat je dit mee kan maken.’ en ik feliciteer hem.
Daar staan we dan, op een grauwe dag op het bruggetje, hij op weg het park in en ik op weg naar huis.