De Tweede Kamer nam deze week twee moties aan voor meer steun voor lhbti+ leerlingen, die de positie van lhbti+ jongeren op school moeten versterken. Ze komen op een moment dat nieuw onderzoek een scherpe daling van de acceptatie van homoseksualiteit laat zien.
Het gebeurde in de week van Paarse Vrijdag. Op 6 oktober nam de Tweede Kamer twee moties aan die zich richten op de veiligheid van lhbti+ leerlingen in het Nederlandse onderwijs. De eerste vraagt de regering te onderzoeken hoe Gender and Sexuality Alliances (GSA’s) op scholen kunnen worden versterkt. De tweede moet voorkomen dat scholen lesmateriaal gebruiken dat haat of discriminatie aanwakkert.
Een land dat voorop liep
Nederland geldt internationaal al decennialang als gidsland voor lhbti+ rechten. In 2001 was het de eerste staat ter wereld die het huwelijk openstelde voor paren van gelijk geslacht. Die reputatie staat de laatste jaren onder druk, en niet alleen binnen de eigen grenzen.
Wereldwijd verschuift het klimaat. In Oeganda voerde de regering in 2023 een wet in die homoseksuele handelingen zwaar bestraft, in sommige gevallen met de doodstraf. In Hongarije maakte een wetswijziging in 2025 het mogelijk om Pride-optochten te verbieden, wat tot grote protesten leidde. In de Verenigde Staten werden de afgelopen jaren in tal van staten rechten van transgender personen ingeperkt. Ook in andere delen van Europa winnen partijen en bewegingen terrein die lhbti+ emancipatie als bedreiging van traditionele waarden afschilderen.
Cijfers die schrikken
Dat Nederland zich niet automatisch aan die tendens onttrekt, blijkt uit onderzoek van de Universiteit Utrecht en het Trimbos-instituut. Uit de Health Behaviour in School-aged Children-studie (HBSC) komt naar voren dat de acceptatie van homoseksualiteit onder scholieren tussen 2021 en 2025 sterk is gedaald. Onder jongens in het voortgezet onderwijs liep het aandeel met een positieve houding terug van 40 naar 22 procent. Onder meisjes ging het van 78 naar 51 procent.
Ook de sfeer in de klas verslechterde. Leerlingen zijn minder positief over de omgang met klasgenoten en geven vaker aan gepest te worden. De cijfers betekenen niet dat een meerderheid van de jongeren negatief tegenover homoseksualiteit staat. Ze maken wel zichtbaar dat eenmaal bereikte vooruitgang geen vanzelfsprekendheid is.
Wat de moties inhouden
De eerste motie is ingediend door Marjolein Moorman (PRO) en kreeg 110 stemmen voor. Ze vraagt de regering in kaart te brengen waar en hoe GSA’s kunnen worden versterkt. Dat zijn groepen van lhbti+ leerlingen en bondgenoten die, met ondersteuning van COC Nederland, activiteiten organiseren, seksuele en genderdiversiteit bespreekbaar maken en pesten en uitsluiting proberen tegen te gaan.
De tweede motie, van Alisha Müller (VVD) en Anne-Marijke Podt (D66), werd met 113 stemmen aangenomen. Zij verlangt dat het kabinet beter waarborgt dat scholen geen materiaal gebruiken dat kan leiden tot haat of aanzetten tot discriminatie. Het kabinet moet de Kamer hierover vóór het einde van 2026 informeren.
Een motie is een politiek signaal en geen wet. Er komt niet automatisch extra geld vrij en de regels voor scholen veranderen er niet door. De precieze gevolgen hangen af van wat het kabinet met de verzoeken doet.
De uitwerking is de crux
Het zwaartepunt ligt dus bij de uitvoering. Voor de GSA’s zal het kabinet eerst moeten vaststellen op welke scholen zulke groepen al actief zijn, waar ze ontbreken en welke ondersteuning nodig is om ze op te richten. Daarbij gaat het niet alleen om materiaal. Leerlingen hebben ook volwassenen nodig die weten hoe ze discriminatie en uitsluiting moeten aanpakken, bijvoorbeeld in de vorm van vaste, vertrouwelijke aanspreekpunten op school.
De tweede motie is delicater. Scholen moeten haatdragende of discriminerende passages kunnen herkennen, wat duidelijke criteria vergt. Tegelijk moet er ruimte blijven voor onderwijs waarin religie, identiteit en botsende opvattingen kritisch en respectvol aan bod komen. De grens tussen het bespreekbaar maken van een standpunt en het verspreiden ervan zal in de uitwerking nauwkeurig getrokken moeten worden.
Meer dan één dag per jaar
De stemming viel in de week van Paarse Vrijdag, die dit jaar op 9 oktober plaatsvindt. Volgens COC Nederland doen 3.130 scholen mee, ruim meer dan de 2.980 van vorig jaar: 1.000 middelbare scholen en mbo-instellingen en 2.130 basisscholen. De dag maakt seksuele en genderdiversiteit zichtbaar en moedigt leerlingen en onderwijsprofessionals aan zich uit te spreken tegen uitsluiting.
Dat de deelname groeit, is positief, maar een jaarlijks moment vervangt geen structureel beleid. Wat het verschil maakt, is aandacht voor diversiteit gedurende het hele schooljaar, betrokkenheid van leerlingen bij het veiligheidsbeleid en regelmatige metingen van hoe veilig verschillende groepen zich voelen. Ook ouders, leerlingenorganisaties en maatschappelijke instellingen spelen daarbij een rol, want vooroordelen en kwetsende opmerkingen verdwijnen pas als ze niet langer als normaal worden gezien.
Afrekenen op resultaat
De waarde van de moties zal blijken uit wat er volgt. Concrete doelstellingen, openbare voortgangsrapportages en ondersteuning van scholen bij het evalueren van hun eigen aanpak zouden daarvoor de basis kunnen vormen. Daarbij zegt het aantal activiteiten of deelnemende scholen weinig. Doorslaggevend zijn de ervaringen van leerlingen zelf: of er minder wordt gepest en of jongeren zich veiliger voelen.
De Kamer heeft met deze moties haar bedoeling uitgesproken. Het kabinet heeft tot eind 2026 om te laten zien wat het daarmee gaat doen.